ROGER GLOVER

DEEP PURPLE: GOD IS WEER EENS OPGESTAPT



HET COMPLETE VERHAAL


In 1993 vierde Deep Purple haar 25-jarig bestaan met een nieuwe CD en een reünietour. Wat een nostalgisch feestje had moeten worden ontaardde in een nachtmerrie, niet in de laatste plaats dankzij gitaargod Ritchie Blackmore die zijn maatjes midden tijdens de tournee in de steek liet. Zijn -tijdelijke- vervanger mag op z'n minst verrassend genoemd worden: gitaarprins Joe Satriani. Die onverwachte samenwerking verliep zo goed, dat Deep Purple de reünietour dit voorjaar nog eens dunnetjes over komt doen. Purple-puristen houden hun hart vast, maar Ian Gillan, Roger Glover, Ian Paice en Jon Lord zijn vast van plan om de critici de mond te snoeren. Hoogste tijd dus om die ruim 25 jaar tellende bindgeschiedenis eens nader onder de loep te nemen. Van: "De band die mensenlevens kon veranderen", tot "We moeten uitkijken dat we geen parodie op onszelf worden", is dit: Deep Purple, Het Complete Verhaal.

Het was in de zomer van 1976 dat ik werd ingewijd in de wereld van Deep Purple. Buurjongen René, een jaar of zeven ouder dan ikzelf mocht zich de trotse voorzitter noemen van de officiële Nederlandse Deep Purple-fanclub. Een mooie zomeravond in juni, na die dag zou mijn leven nooit meer hetzelfde zijn. René liet me het nummer Space Truckin' horen, kant vier van het live-album Made In Japan en het was alsof ik water zag branden.

"Dat is nou echte hardrock", sprak René op samenzweerderige toon en nam een flinke trek van zijn extra zware Javaanse jongen. Dat vijf aardse stervelingen een dergelijk kabaal konden produceren kon ik als amper 13-jarige nauwelijks bevatten. Tot dan toe was Status Quo mijn favoriete groep geweest, maar de simpele boogie-woogie van Francis Rossi en co verbleekte bij de wonderlijke klanken van Lazy, Strange Kind Of Woman en Speed King. Onder het genot van een glas cola bladerde ik door de Book Of Taliesyn, het gestencilde fanclubblad. René vertelde me over de intriges tussen Ian Gillan en de geniale Ritchie Blackmore, over de klassiek geschoolde Jon Lord, de altijd zwijgzame Ian Paice en de ondoorgrondelijke Welshman Roger Glover. "Mark 2 Deep Purple, de beste band die ooit heeft bestaan", aldus René. Nee, Deep Purple bestond inmiddels niet meer. De laatste incarnatie van de band, met zanger David Coverdale, gitarist Tommy Bolin en bassist Glenn Hughes, had onlangs de handdoek in de ring gegooid. "Maar de muziek leeft voort", sprak mijn buurjongen in zijn onmetelijke wijsheid. Om zijn woorden kracht bij te zetten liet hij me het nummer Stargazer van de groep Ritchie Blackmore's Rainbow horen, gevolgd door Love Is All, van Roger Glover's Butterfly Ball. Ja, dat laatste liedje kende ik wel, dat filmpje met die kikker was wekenlang bij Toppop te zien geweest.

Tjonge wat een muzikanten. En wat een fascinerende muziek. Die zomer bezocht ik René zo vaak als ik maar kon. Bij elk nieuw verhaal over de dronkemansfratsen van Ian Gillan, of de weerbarstige streken van Ritchie Blackmore hing ik aan zijn lippen. Thuis zeurde ik net zolang totdat ik dertig gulden van m'n moeder kreeg om Made In Japan te kunnen kopen. Met dat kleinood eenmaal in m'n bezit sloot ik me op op m'n jongenskamer en droomde weg bij Child In Time en Smoke On The Water. De naam Deep Purple prijkte in koeieletters op m'n schooltas en iedereen mocht het weten: vanaf nu was ik een hardrocker.

"Ja, wij zijn de grondleggers van de hardrock."
Ian Gillan, 1993
"Ach, in feite was het gewoon popmuziek, dat door ons in een minder voor de hand liggend jasje werd gegoten."
Roger Glover, 1994
"Hardrock? Heavy metal? Bah, wat een rotwoorden. Nee, daarvoor moet je toch echt bij Black Sabbath zijn."
Jon Lord, 1989
"Ik ben drummer in een hardrockgroep, wat is daar nou zo bijzonder aan?"
Ian Paice, 1984
"Van Elvis tot Beethoven, onze invloeden kwamen overal vandaan. Ach joh, we deden maar wat."
Ritchie Blackmore, 1985

Vijf opmerkingen, opgetekend op vijf verschillende momenten, uit vijf verschillende monden. In alle vijf de gevallen werd gevraagd naar de muzikale essentie van Deep Purple. De vijf mannen die hun mening gaven waren samen verantwoordelijk voor een gouden periode uit de geschiedenis van de rockmuziek, maar keken daar stuk voor stuk anders tegenaan. Is het dan nog vreemd dat Ian Gillan, Roger Glover, Jon Lord, Ian Paice en Ritchie Blackmore slechts zelden voor de volle honderd procent op dezelfde golflengte zaten en dat zelfs de persoonlijke beleving van ruim 25 jaar Deep Purple totaal verschillende verhalen oplevert. Stuk voor stuk hebben ze hun hart verpand aan Mark 2, de vermaarde tweede samenstelling van Deep Purple, die floreerde tussen juli 1969 en juni 1973 en klassieke albums opleverde als In Rock, Fireball, Machine Head en niet te vergeten Made In Japan. Tot twee maal toe heeft het vijftal een serieuze poging gewaagd om de magie van weleer te laten herleven, tot twee maal toe is men daar niet, of slechts gedeeltelijk, in geslaagd.

"Deep Purple is mijn leven", verzucht bassist/producer Roger Glover aan de vooravond van een nieuwe Europese tournee. "Het probleem is, we kunnen niet mèt, maar ook niet zonder elkaar." Het is april 1994 en Roger Glover, Ian Gillan, Jon Lord en Ian Paice ontwaken langzaam uit een korte winterslaap. Binnen nu en enkele weken wordt het viertal geacht veehallen en sportzalen in ruim tien Europese hallen te doen vollopen.

En dat met een album (The Battle Rages On), dat nog geen broodnodige hits heeft opgeleverd en op z'n zachtst gezegd lauw is ontvangen. Belangrijker nog, Deep Purple probeert straks die magie van weleer te laten herleven zonder Ritchie Blackmore. Want God kreeg het weer eens op z'n heupen en stapte op, omdat ie "niet langer tegen die rotkop van Ian Gillan aan wenste te kijken." God's tijdelijke vervanger is een heuse gitaarprins: Joe Satriani. Een man van adellijke klasse, maar geen Heilige, zoals zijn voorganger.

Roger Glover herinnert zich zijn eerste ontmoeting met Ritchie Blackmore nog als de dag van gisteren: "Het was 1969, een enerverende, wilde tijd. Samen met Ian Gillan speelde ik in een band genaamd Episode Six. We waren zo arm als kerkratten, maar stonden aan de vooravond van wat weleens een bescheiden doorbraak kon zijn. Op een avond traden we op in de Little Boy's Club in Woodford en op een gegeven moment betrad ene Ritchie Blackmore de bühne, om samen met ons te jammen. Van die jam herinner ik me niet veel meer, wel van het bezoekje aan een pub, na afloop van het optreden.

Daar ontmoette ik Blackmore en Jon Lord, die er geen geheim van maakten dat ze Ian Gillan bij Episode Six wilden weghalen. Lord en Blackmore zagen er uit als echte rocksterren. Ze droegen dure, opzichtige kleding, donkere zonnebrillen, en het verhaal wil dat ze allebei hun haar gitzwart hadden geverfd. Het tweetal was luidruchtig, arrogant en nogal zelfingenomen, ik koesterde vanaf het allereerste moment een antipathie tegen ze. Bovendien kwamen ze mijn zanger wegkopen, daar baalde ik vreselijk van. Hun band heette Deep Purple en Ian [Gillan] had me al vol vuur verteld over hun staat van dienst.

Al drie albums op hun naam staan, een aantal wereldtournees gedaan, en een top-5 hit in de States (Hush, een cover van het oude Billy Joe Royal nummer, JV). Maar, eerlijk gezegd had ik nog nooit van hen gehoord, en ik mocht dat tweetal voor geen meter. In feite keek ik enorm tegen hen op. Ik was heel erg verlegen en altijd platzak. Ian en ik woonden samen op een flatje en deelden alles met elkaar, uit pure armoede. We hadden zelfs één goeie spijkerbroek die we om beurten aan mochten doen om een beetje de blits te maken. En hier kwamen die twee quasi-rocksterren naar ons toe, gaven veel geld uit en droegen veel kleren. Wat een stelletje patsers..." Ian Gillan verliet Episode Six en Roger Glover was meer vastberaden dan ooit om zijn band alsnog succesvol te maken.

Een verzoek van Jon Lord om ook tot Deep Purple toe te treden wees hij gedecideerd van de hand: "Gillan vroeg me om een gunst: of ik zo vriendelijk wilde zijn om een paar van mijn songs af te staan aan Deep Purple. Weet je, ook Ian was in die dagen een rare vogel. Hij noemde mij een stinking hippie en hing zelf de macho uit. Liedjes schrijven deed-ie nooit, dat was een bezigheid voor mietjes. Echte mannen zongen of speelden gitaar, songs schrijven deden ze niet, zo redeneerde hij. Alleen nu had-ie een probleem. Want één van de redenen waarom Deep Purple hem wilde hebben was het songmateriaal van Episode Six.

En dus werd ik gesommeerd om naar het huis van Jon Lord te komen -een nogal bizar ingerichte flat in Zuidoost Londen- en een nummer met hen te schrijven. Daar vroegen ze mij of ik hun nieuwe bassist wilde worden. Ik zei: 'Nee dank je, ik zie dat niet zitten', maar ze bleven maar aan m'n kop zeuren. Die nacht logeerde ik bij Gillan, die inmiddels z'n eigen huisje had. Ik weet nog goed dat ik vrijwel de hele nacht lag te denken over de zin van het leven. Ik had genoeg van de armoe en de zware last op mijn schouders om bij Episode Six steeds maar weer de kar te moeten trekken. Ik was toe aan een nieuw avontuur en hoewel het me pijn deed, nam ik die bewuste nacht m'n besluit om m'n idealen opzij te zetten en te kiezen voor de goedbetaalde baan als bassist van Deep Purple, een band met muzikanten waar ik eigenlijk een bloedhekel aan had."

En aldus kwam de fameuze 'Mark 2' samenstelling van Deep Purple tot stand: Ian Gillan-zang, Ritchie Blackmore-gitaar, Roger Glover-bas, Jon Lord-toetsen en Ian Paice-drums. Deep Purple bestond inmiddels al een aantal jaren en genoot een behoorlijke live-reputatie, vooral op het Europese continent en in de VS. Alleen thuisland Engeland moest niets weten van de bombastische rock 'n roll van de vijf macho-mannen. Het was toetsenist Jon Lord die aanvankelijk gold als de drijvende kracht achter Deep Purple. De voormalige conservatorium-student genoot al geruime tijd bekendheid, eerst met het bandje The Artwoods (in welke hoedanigheid hij in elk geval Ritchie Blackmore, maar wellicht ook Ian Gillan en Roger Glover tegen het lijf moet zijn gelopen, omdat het toeval wil dat het viertal met hun respectievelijke bands geruime tijd de clubs van Hamburg onveilig maakte, maar dit terzijde) en later met The Flowerpot Men, een combo dat zowaar een paar kleine hits had gescoord. Zijn verlangen naar serieuze erkenning dreef hem in de armen van de grillige Ritchie Blackmore (die op zijn beurt Ian Gillan al moet hebben gekend, aangezien hun beider wieg in dezelfde Londens wijk -Hounslow- heeft gestaan, maar ook dit terzijde) die evenzeer een uitstekende reputatie genoot als gitarist en die net als Jon Lord een sterke voorliefde koesterde voor klassieke muziek. Toch was Deep Purple in den beginne niet meer dan een middelmatig popbandje, met Nick Simper op bas en Rod Evans als zanger.

Een sappige anekdote uit het prille begin van Deep Purple is illustratief voor de intriges, leugens en dubbele bodem die de carrière van de 'grondleggers van de hardrock' kenmerken: Deep Purple had in korte tijd al diverse drummers versleten. De laatste in de rij was ene Bobby Woodman, in die dagen de eerste die met een dubbele-bassdrum speelde. Op de dag dat zanger Rod Evans auditie komt doen, neemt hij een andere drummer mee: Ian Paice. Na kort overleg tussen Lord, Blackmore en Evans wordt Woodman met een smoesje weggestuurd ("Ga maar even een pakje sigaretten halen") en bij terugkomst heeft Ian Paice zich comfortabel achter de drumkit genesteld; exit Bobby Woodman.

De popsound van Deep Purple wordt gaandeweg voorzien van heavy ritmes en spetterende gitaarlicks, terwijl ook Jon Lord zich niet onbetuigd laat met z'n heftige Hammond-geluid. Het eerste album Shades Of Deep Purple verschijnt in 1968 en leverde zowaar een dikke hit op: Hush. Twee albums later echter -Book Of Taliesyn en Deep Purple, beide uitgebracht in '69- krijgen vooral Blackmore en Lord het gevoel dat ze op een dood spoor zijn aanbeland. Het roer moet om, liefst met nieuwe muzikanten en nieuwe ideeën. Evans en Simper krijgen hun congé, alleen Ian Paice, de zwijgzame slagwerker uit Oxford, mag blijven zitten. Een wederzijdse vriend -drummer Mick Underwood, een jeugdvriend van Ritchie uit Hounslow en op dat moment slagwerker bij Gillan en Glover in Episode Six- zet Deep Purple op het spoor van Ian Gillan die, zoals gezegd, in zijn kielzog Roger Glover meeneemt.

Het is in die dagen dat het woord chemistry een nieuwe betekenis krijgt. "Al direct tijdens de eerste repetitie voelde ik dat het goed zat", aldus Ian Gillan. Hij maakt er geen geheim van dat hij de nacht na z'n allereerste optreden met Deep Purple in de Londense Speakeasy Club, in z'n bed heeft liggen huilen. Met gevoel voor drama vertelt hij: "Dat was zo'n ongelooflijk moment. Ik weet niet wat het was, misschien was het nog de adrenaline die door m'n bloed stroomde, of de zenuwen die van me af vielen... Ik lag in m'n bed en huilde. Ik zag m'n leven aan me voorbijtrekken. Alle stukjes van mijn moeizame puzzel pasten plots in elkaar. Ritchie, Roger, Jon, Ian en ik... Het was alsof ik voor het eerst in m'n leven was thuisgekomen."

Nog steeds is het Jon Lord die de lakens uitdeelt. Een klassiek project uit zijn koker wordt de eerste klus voor nieuwkomers Glover en Gillan.

Als klassiek geschoold muzikant is het vooral het gebrek aan artistieke erkenning dat Lord parten speelt. Vandaar zijn ambitie om een door hem gecomponeerd klassiek stuk te laten opvoeren door Deep Purple en het London Philharmonic Orchestra. Plaats van handeling: de prestigieuze Royal Albert Hall in hartje Londen. Het resultaat is terug te vinden op het album Concerto For Group And Orchestra en wie objectief luistert hoort dat de poging om rock en klassiek nader tot elkaar te brengen verzandt in goede bedoelingen en pretentieus gepiel. Toch blijkt het experiment positieve gevolgen te hebben. Niet alleen is deze samenwerking de aanleiding voor het London Philharmonic om jaren later rockhits in een klassiek jasje op te nemen (The Royal Philharmonic Plays Queen, etc...) maar ook Ritchie Blackmore krijgt het op zijn heupen. Hij is het gefröbel van Jon Lord meer dan zat en eist een radicale ommekeer.

Roger Glover: "Het publiek in Engeland kreeg een totaal verkeerd beeld van ons. Dat leidde soms tot Spinal Tap-achtige toestanden. Werden we door een plaatselijk genootschap gevraagd om te komen spelen, bleek dat ze dachten dat we een kamerorkest waren en klassieke muziek speelden. En daar stonden we dan met onze Marshalls in strakke zwartleren broeken..." Hoe dan ook, na Concerto For Group And Orchestra wijzen alle neuzen dezelfde kant op. In het Hanwell Community Centre in Londen, waar de groep regelmatig repeteert ontstaan mooie dingen.

Glover en Gillan leveren de ideeën voor de songs, Blackmore en Lord maken er virtuoze hoogstandjes van. Roger Glover: "We hadden slechts één doel voor ogen; de mensen laten horen wie we werkelijk waren. Weg met al die klassieke bullshit, het werd tijd voor een keihard visitekaartje."

Het resultaat heet Deep Purple In Rock en geldt nog altijd als één van de vijf meest invloedrijke hardrockalbums aller tijden. Op haar beurt speelt Deep Purple leentjebuur bij groepen als Vanilla Fudge en It's A Beautiful Day. Zo komt het legendarische Child In Time gedeeltelijk voort uit het nummer Bombay Calling van It's A Beautiful Day.

Ian Gillan: "Een snel, voornamelijk instrumentaal nummer. Zoiets wilden wij ook. En in onze zaal in Hanwell, met een geweldige akoestiek, speelde Jon Lord een variatie op Bombay Calling. Ik begon spontaan te zingen en te gillen, vooral vanwege die gave akoestiek. En zo is Child In Time ontstaan."

Gejat of niet, In Rock staat als een huis en Deep Purple's populariteit schiet als een komeet omhoog. "In Rock is het album waarop alles op z'n plaats viel", aldus Gillan. "Een band die spelenderwijs z'n identiteit ontdekt. Dat is een dilemma waar elke band vroeg of laat tegenaan loopt; op het moment dat je identiteit vaststaat kun je geen kant meer op. Je voelt dat je jezelf in een soort keurslijf manoeuvreert, maar als je te nadrukkelijk probeert te veranderen keert het publiek zich van je af."

Toch weet Purple de magie geruime tijd vast te houden; ook Fireball ('71) en Machine Head zijn juweeltjes. "Die eerste twee jaren zijn ongeëvenaard", blikt Glover terug. "De saamhorigheid was groot en we beseften dat we geschiedenis aan het schrijven waren. Ja echt, dat wisten we. Ritchie had een gulden stelregel: als we er zelf geen stijve van krijgen, dan hoort het niet op de plaat te komen. Daar hebben we ons twee jaar lang aan kunnen houden."

In afzienbare tijd is Deep Purple wereldberoemd. In Japan en Duitsland overtreft de band zelfs alle verkooprecords en groeit uit tot de cash-cow van EMI. "1972 was ons absolute topjaar", aldus Roger Glover. "We braken records, kwamen in het Guinness Book Of Records als hardste band ter wereld en wonnen zo'n beetje alle awards die er te winnen vielen. Er waren van meet af aan spanningen tussen Gillan en Blackmore, maar het plotselinge succes maakte veel zoniet alles goed. Billboard riep ons officieel uit tot best verkopende band van 1972. Tja, blijf dan maar eens met beide benen op de grond staan." De spanningen nemen toe. De rock 'n roll lifestyle eist z'n tol en het succes maakt de ego's van de vijf muzikanten larger than life.

Blackmore is God, maar ook Gillan en Lord zijn van mening dat ze niet van deze wereld zijn. Alleen Ian Paice blijft zichzelf, weggekropen achter z'n drumkit en Roger Glover fungeert steeds meer als intermediair tussen kemphanen Gillan en Blackmore. Glover: "Blackmore was van mening dat we ons succes alleen aan hem te danken hadden. Eigenlijk is hem dat niet eens kwalijk te nemen, de man werd omringd door ja-knikkers en slaafse bewonderaars die met hem dweepten. Ik herinner me dat we logeerden in een immense villa in Rome, om te werken aan het album Who Do We Think We Are. Gillan en ik ergerden ons kapot aan de arrogante houding van Blackmore en Lord, het succes was hen naar het hoofd gestegen. Maar ook Ian [Gillan] was soms onhandelbaar. Hij zoop te veel en was zichtbaar ongelukkig. We hadden drie weken nodig om één fatsoenlijk nummer te schrijven, een onwerkbare situatie."

Het is inmiddels begin 1973. De band tourt voor de zoveelste keer de wereld rond en loopt op haar laatste benen. Een door Glover voorgestelde pauze wordt door het management afgewezen, doorgaan is het devies. Who Do We Think We Are verkoopt beduidend minder dan voorganger Machine Head en Ritchie Blackmore geeft te kennen dat-ie weg wil. Ook Gillan wil iets anders gaan doen en dus is het aan Glover om het zaakie bij elkaar te houden. De gebeurtenissen volgen elkaar in snel tempo op, de vijf bandleden houden er verschillende lezingen op na, maar wat nu volgt is een reconstructie van zoals het werkelijk gegaan moet zijn: op een dag laat Ian Paice zich ontvallen dat hij en Ritchie de band gaan verlaten om een nieuw trio te beginnen met niemand minder Phil Lynott van Thin Lizzy.

Een handgemeen tussen Blackmore en Gillan is de directe oorzaak voor Blackmore's vertrek. Maar, ook Gillan stapt op, hij is de vernederingen beu en meent dat de tijd rijp is om op eigen benen te staan. Het management nodigt Paul Rodgers van de legendarische formatie Free uit om auditie te komen doen. Het klikt voor geen meter, maar het management doet een ultiem beroep op Glover en Lord om zich te schikken naar de wensen van Blackmore en aldus de band in stand te houden.

Rodgers haakt af en ook Lynott kiest eieren voor z'n geld (boze tongen beweren zelfs dat er sprake is geweest van een afkoopsom, maar het bewijs hiervoor lijkt moeilijk te vinden). Iemand komt met een tape van de volslagen onbekende blueszanger David Coverdale op de proppen en Blackmore laat zich overhalen om een nieuw Purple-album te maken. Echter, om te laten zien hoever zijn macht reikt stelt hij het management ondubbelzinnig voor de keus: "Glover er uit, of ik er uit." Waarom moet Roger weg? "Omdat ik het zeg."

Koortsachtig zoeken Lord en Paice naar een vervanger voor Glover. Deze weet van niets en maakt zich op voor de komende Japanse tournee, de laatste optredens ook met Ian Gillan. Een nieuwe bassist wordt gevonden in de persoon van Glenn Hughes, afkomstig uit de redelijk succesvolle formatie Trapeze. Achtereenvolgens geven de komende en de gaande bassist hun visie: "Er was iets niet pluis, zoveel is zeker. Alles diende in het geheim te gebeuren, Glover mocht niets merken. Ja, ik zou ook de nieuwe zanger worden. Eerst samen met Paul Rodgers, maar die vond dat ik het in m'n eentje ook wel aan zou kunnen. Uiteindelijk kozen ze voor een verlegen, onzeker mannetje uit Noord-Engeland: David Coverdale. Hij was doodsbang voor me en zoop als een tempelier om met me te durven werken. Ach, luister maar naar Burn, daar zing ik hem toch volledig de studio uit... "

Glover: "Na een optreden in New York werd ik nota bene door Ritchie aan Glenn Hughes voorgesteld. Ik rook onraad, voelde dat er iets niet in orde was. Ik werd doodgezwegen door de anderen, ja ook door Lord en Paicey, mannen van wie ik dacht dat ik ze kon vertrouwen. Korte tijd later werd me door het management doodleuk te verstaan gegeven dat ik niet langer deel uitmaakte van Deep Purple. Ja, diezelfde managers die me hadden gesmeekt om te proberen om de boel bij elkaar te houden... Na het allerlaatste optreden in Japan kwam Ritchie naar me toe en sprak slechts vijf woorden tegen me: 'Het is niet persoonlijk bedoeld...' Thuis aan de muur hangt nog een foto van mij, genomen in die periode. De angst en ellende die je daar in mijn ogen leest spreekt boekdelen. Zodra ik me rot voel hoef ik alleen maar naar die foto te kijken om te weten dat ik me m'n leven lang nooit meer zo ellendig kan voelen als toen... "

Saillant detail: die laatste Mark 2-shows in Japan, vier in getal, leveren achteraf de misschien wel beste Purple-LP aller tijden op: Made In Japan, uitgebracht om de nieuwe lineup de tijd te gunnen om aan elkaar te wennen en een nieuwe plaat te maken. Toch zal het nooit meer zo zijn als voorheen, ook voor Blackmore, Lord en Paice niet. Het album Burn ('74) is dik in orde, maar de magie van weleer ontbreekt. Zo ook op Stormbringer ('74), waarop nieuwkomers Coverdale en Hughes de touwtjes stevig in handen blijken te hebben. Op 7 april 1975, na een optreden in de Parijse Olympia keert Ritchie Blackmore Deep Purple de rug toe, maar niet nadat hij nota bene zelf z'n opvolger heeft aangewezen: Tommy Bolin. Een begenadigd gitarist, maar Come Taste The Band ('75) de laatste studio-plaat uit die roemruchte dagen is een slap aftreksel van de band die ooit klassiekers als Child In Time, Smoke On The Water en Highway Star het licht deed zien. Na een matig succesvolle tournee in het voorjaar van 1976 houdt Deep Purple op te bestaan. Tommy Bolin maakt nog een solo-album -Private Eyes- en komt eind 1976 te overlijden na een overdosis heroïne. Glenn Hughes -ook al aan de dope geraakt tijdens z'n verblijf in Purple- gaat eveneens solo en duikt later nog op bij Black Sabbath en Gary Moore. Paice en Lord vormen een kortstondig trio met gitarist Tony Ashton en duiken later op bij Whitesnake, de band waarmee David Coverdale de wereld verovert. Gillan, Glover en Blackmore zitten evenmin stil. Gillan vertoeft jarenlang in de marge als solo-artiest en maakt zichzelf nog even onsterfelijk belachelijk met Black Sabbath op het album Born Again. Glover scoort succes met z'n Butterfly Ball-project en legt zich meer en meer toe op het producersvak. 0 ja, en hij ontdekt ene Ronnie James Dio, die korte tijd later door Blackmore gerecruteerd wordt voor diens nieuwe formatie Rainbow. Als Glover uiteindelijk in 1979 ook toetreedt tot diezelfde band is het cirkeltje alweer bijna rond.

Medio 1983 gonst het van de geruchten. Diverse Deep Purple-leden van het tweede uur (Mark 2) worden weer in elkaars gezelschap gesignaleerd en multinational Polygram zou het legendarische vijftal een miljoenenbod hebben gedaan. Na maanden van speculatie brengt BBC-discjockey Tommy Vance het nieuws officieel naar buiten: Deep Purple is weer bij elkaar. En inderdaad, het is april 1984 en de messen worden opnieuw geslepen. Blackmore, Gillan, Glover, Lord en Paice roepen hun managers bij elkaar om de contracten op te stellen en na een leuk partijtje voetbal en geslaagde oefensessie mag de hele wereld het weten: Purple is back. Al het oud zeer lijkt inmiddels de wereld uit, maar het lijdt geen twijfel dat daar een aantal zeer pittige en indringende gesprekken voor nodig is geweest.

Perfect Strangers is een come-back CD waar Deep Purple apetrots op mag zijn. Zelfs de grootste criticaster moet erkennen dat de magie van weleer herleeft in nummers als Knockin' At Your Backdoor, Wasted Sunsets en de titelsong. Ook de tournee, die van start gaat in Nieuw Zeeland en de band naar talloze uithoeken van de wereld voert, behalve Nederland, is een succes. En ook al ligt Ritchie Blackmore weer regelmatig dwars en legt hij de anderen zijn ijzeren wil op, de diverse platina-onderscheidingen die de band ten deel vallen maken veel, zoniet alles goed.

In januari 1987 verschijnt The House Of Blue Light en een maand later speelt Deep Purple twee avonden achter elkaar in een uitverkochte Ahoy' in Rotterdam. Het album valt door de bank genomen nogal tegen, maar de tour maakt veel goed. Achter de schermen echter is het weer eens hommeles. In het stadje Stowe in de staat Vermont gelast Blackmore een oefensessie zonder Gillan.

Laatstgenoemde zuipt te veel en maakt zichzelf dikwijls onmogelijk. En in datzelfde Stowe, waar vier jaar eerder zo succesvol werd gesleuteld aan Perfect Strangers, belegt Blackmore een vergadering waarin hij en manager Bruce Payne het vertrek van Ian Gillan eisen. De anderen halen bakzeil en laten hun vriend Gillan vallen. Vooral Glover heeft het er moeilijk mee: "Maar Ian was echt onhandelbaar. Op dat moment leek het voor alle partijen de beste oplossing als Gillan op zou stappen. Wat ik echter niet doorhad, was dat Ritchie er gewoon een tweede Rainbow van wilde maken. Ik was mordicus tegen de komst van [voormalig Rainbow-zanger] Joe Lynn Turner, maar ik stond machteloos."

Exit Ian Gillan. Manager Bruce Payne bezorgt de band een lucratief contract bij BMG en Roger Glover produceert het album Slaves & Masters. Glover: "Dat is de kracht van Blackmore, hè. Hij gunt je precies voldoende vrijheid, zodat je net niet opstapt. Ik mocht de liedjes schrijven en het album produceren. En vervolgens mocht ik doodleuk de pers te woord gaan staan, omdat het volgens Blackmore toch vooral mijn plaat was. Kon ik een potje gaan staan liegen over dat het toch zo te gek was dat we Turner in de gelederen hadden. Ik kan je vertellen, het was allesbehalve te gek. En de tour die we deden was ook al geen pretje. Blackmore bepaalde alles. De communicatie tussen hem en de rest van de band verliep via Bruce, onze manager. Een absurde situatie."

In 1993 bestaat Deep Purple 25 jaar. Dat heuglijke feit dient gevierd te worden met een nieuwe CD en tournee. Roger Glover schrijft opnieuw het meeste materiaal en doet dat met de stem van Ian Gillan in z'n achterhoofd. Het vocale bereik van Joe Lynn Turner is hier niet op berekend. De ietwat verwijfde Amerikaan mag wat Glover betreft sowieso opstappen, bij dit jubileum heeft Turner niets te zoeken. Pas na veel vijven en zessen gaat Blackmore overstag. Gillan is een klootzak, maar Slaves & Masters was een flop, en een jubileum zonder Gillan kan eigenlijk niet. Waarom Gillan zich laat overhalen om voor de derde keer de confrontatie met Blackmore aan te gaan zal wel altijd een raadsel blijven. Van The Battle Rages On worden we ook al niet veel wijzer. Nee, Purple slaat geen pleefiguur, het album heeft zeker z'n momenten, maar de magie van weleer herleeft geen moment. Glover's produktie is dik in orde, de band musiceert op niveau, maar de vonken vliegen er niet vanaf.

Toch is Ahoy' op 27 november 1993 wederom compleet uitverkocht. Tourmanager Colin Hart krijgt de lachers op zijn hand als hij doodleuk meldt dat de heren fotografen op zo'n 30 meter van het podium dienen te staan, opdat zij Blackmore en Gillan niet in één shot kunnen vangen. Een vreemde logica en eens te meer het bewijs dat het wederom hommeles is in huize Deep Purple. Een paar weken later, in Praag, barst de bom: Blackmore stapt op. De andere vier gaan door en huren gitaarheld Joe Satriani in, om tijdens een Japanse tour als stand-in te fungeren. Purple-puristen fronsen de wenkbrauwen, zo weet ook Roger Glover: "Je hebt gelijk, we moeten oppassen dat we geen parodie op onszelf worden. Ik hou me daar wel degelijk mee bezig.

Toch is die angst om onszelf belachelijk te maken nog niet zo groot als de drang om te bewijzen dat we nog niet versleten zijn. Toevallig heb ik een paar dagen geleden een paar uur met Ian [Gillan] aan de lijn gehangen. Ook hij kijkt met plezier terug op de optredens met Joe in Japan en verheugt zich op de komende Euro-tour. Deze periode zonder Ritchie ervaar ik als een wedergeboorte. Ik heb mezelf al die jaren weggecijferd en ontkend, die tijd is eindelijk voorbij. En mocht Ritchie ooit terugkomen, dan is dat onder onze voorwaarden, en niet de zijne... We weten nog niet of Joe bij ons zal blijven, maar Deep Purple zal zeker blijven bestaan, al is het alleen maar opdat Ritchie straks niet kan zeggen: 'Zie je wel, zonder mij redden ze het toch niet.' En die genoegdoening gunnen we hem geen van allen... "

Dan volgt een persoonlijke observatie van Glover die we de lezer zeker niet willen onthouden: "Ritchie Blackmore is de meest intrigerende persoonlijkheid die ik ooit heb ontmoet. Een man met twee gezichten. Enerzijds een groots artiest, anderzijds een nietig mens. Zolang hij het gevoel heeft dat-ie je in zijn macht heeft gaat alles goed. Zodra hij zijn greep verliest komt zijn donkere kant bovendrijven. Ik heb het van dichtbij meegemaakt, diverse keren. Ik herinner me een oefensessie met Rainbow. Onze drummer Bobby Rondinelli was zonder pardon op straat gezet en werd vervangen door ene Chuck Burgi. Een vrolijke, enthousiaste jongen uit New York. Opgeruimd en zelfverzekerd, je kent dat soort types wel. Binnen een paar dagen was die knul veranderd in een menselijk wrak.

Ritchie liet geen moment onbenut om hem geestelijk onderuit te halen, en dat alleen opdat de nieuweling zich aan zijn gezag zou onderwerpen. Ik weet niet wat Chuck Burgi tegenwoordig doet, maar ik heb die knaap in een paar dagen tijd zien veranderen van een vrolijke, levenslustige jongeman in een zielig hoopje ellende; ongelooflijk... En toch... Ondanks alles koester ik een diepe bewondering voor Ritchie Blackmore. De man is een genie. Wie hem ooit van dichtbij heeft meegemaakt zal dat moeten erkennen. Hij heeft het aura van een ster, zoals ik dat slechts bij weinig mensen heb gezien. Frank Sinatra heeft 't, Ray Charles heeft 't, en Ritchie Blackmore ook. Vergeleken bij zijn persoonlijkheid en talent zijn wij allen slechts nietige passanten. Ikzelf en Gillan, Lord en Paice incluis. Hij is gek, hij is onhandelbaar en koud, maar als puntje bij paaltje komt mogen we God op onze blote knieën danken dat we ooit met hem hebben mogen werken..."

Zomer 1993, Ian Gillan spreekt: "Mijn liefde voor Deep Purple is groter dan mijn haatgevoelens jegens Ritchie Blackmore. Ik voel me nog steeds vereerd dat ik van dicht bij heb mogen meemaken hoe onze muziek mensenlevens veranderde. Mark 2 Deep Purple is met afstand de beste samenstelling die de band ooit gekend heeft. En daarom ben ik er ook nu weer bij, daar kunnen geen honderd Ritchie Blackmore's iets aan veranderen."

De taperecorder staat al een paar minuten uit maar Ian Gillan meent nog een extra duit in het zakje te moeten doen. En pas nu weet hij me over de streep te trekken. Het afgelopen uur hebben we gediscussieerd over het hoe en waarom van de Deep Purplereünie. "...hoe onze muziek mensenlevens veranderde", zegt Gillan en ik denk terug aan die zomer van 1976, toen buurjongen René me plechtig inwijdde in dat bijna geheime gilde der hardrockers. Vanaf dat moment ben ik de carrière van Deep Purple op de voet blijven volgen. De verrichtingen van Mark 2 gold mijn speciale belangstelling, bands en projecten als Rainbow, Dio, Black Sabbath, Whitesnake, Gary Moore Band en Gillan vloeiden voort uit Deep Purple, of raakten op zeker moment verweven met de geschiedenis van Deep Purple.

De mannen die ooit deel uitmaakten van mijn prille jeugdliefde zijn bij elkaar te horen op zo'n 150 verschillende albums. Die albums verschillen in opzet, geluid en kwaliteit, dat spreekt voor zich. Maar ze staan inmiddels bijna alle 150 in m'n platenkast. Omdat de muziek een mensenleven kon veranderen, mijn mensenleven. En daarom ga ik straks ook maar weer kijken als Gillan, Glover, Paice en Lord komen spelen, Satriani neem ik wel op de koop toe. Het laatste woord is aan Roger Glover, de verlegen zoon van een kroegbaas uit Wales: "Het is onmogelijk om ooit nog mijn objectiviteit terug te krijgen; eenmaal geraakt door Deep Purple ben je veroordeeld tot levenslang..."


DISCOGRAFIE:
Shades Of Deep Purple (1969) - Mark I
Book Of Taliesyn (1969) - Mark I
Deep Purple (1969) - Mark I
Concerto For Group And Orchestra (1970) - Mark II
In Rock (1970) - Mark II
Fireball (1971) - Mark II
Machine Head (1972) - Mark II
Who Do We Think We Are? (1973) - Mark II
Made In Japan (1973) - Mark II
Burn (1974) - Mark III
Stormbringer (1974) - Mark III
Come Taste The Band (1975) - Mark IV
Made In Europe (1976) - Mark III
Last Concert In Japan (1977) - Mark IV
Perfect Strangers (1984) - Mark II
The House Of Blue Light (1987) - Mark II
Nobody's Perfect (1988) - Mark II
Slaves & Masters (1990) - Mark V
The Battle Rages On (1993) - Mark II

Mark I:
Rod Evans - Nick Simper - Ritchie Blackmore - Jon Lord - Ian Paice

Mark II:
Ian Gillan - Roger Glover - Ritchie Blackmore - Jon Lord - Ian Paice

Mark III:
David Coverdale - Glenn Hughes - Ritchie Blackmore - Jon Lord - Ian Paice

Mark IV:
David Coverdale - Glenn Hughes - Tommy Bolin - Jon Lord - Ian Paice

Mark V:
Joe Lynn Turner - Roger Glover - Ritchie Blackmore - Jon Lord - Ian Paice

Mark VI:
Ian Gillan - Roger Glover - Joe Satriani - Jon Lord - Ian Paice


Johan Vosmeyer, WATT, Holland, June 1994